virginaal
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- een toetsinstrument waarbij de haaks op het toetsenbord geplaatste snaren, worden getokkeld.
- maagdelijk
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| virginaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| virginaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| virginalen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘maagdelijk’ voor het eerst aangetroffen in 1553
Woordfamilie van virginaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| virginaaltje | verkleinwoord | virginaal |
| virginaaltjes | verkleinwoord meervoud | virginaal |
| virginale | woordvorm | virginaal |
| virginalen | meervoud | virginaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van virginaal zijn vastgelegd.