vijftig
hoofdtelwoord, zelfstandig naamwoord /ˈfɛi̯ftəx/Betekenis
- '50', het getal tussen negenenveertig en eenenvijftig, vijf maal tien
- dat wat in een (rang)ordening met 50 is aangeduid
- groep van 50 eenheden
Hoe spreek je vijftig uit?
/ˈfɛiftəx/
Vijftig bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| ɛi | trein |
| t | tak |
| ə | de |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
hoofdtelwoord
- "50", het getal tussen negenenveertig en eenenvijftig, vijf maal tien
Verbuiging en vervoeging (hoofdtelwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| 110010 | |
| 32 | |
| 50 | |
| L |
Herkomst
via Middelnederlands vijftich van Oudnederlands fīftig, als telwoord voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236; afgeleid van vijf ht met het achtervoegsel -tig
Woordfamilie van vijftig
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vijftigjes | meervoud | vijftig |
| vijftigs | meervoud | vijftig |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vijftig zijn vastgelegd.