vijfenzestigplusser
zelfstandig naamwoord ˌvɛifənˌsɛstəxˈplʏsərBetekenis
- iemand die zijn 65-ste verjaardag heeft gevierd
Hoe spreek je vijfenzestigplusser uit?
/ˌvɛifənˌsɛstəxˈplʏsər/
Vijfenzestigplusser bestaat uit zes lettergrepen. De klemtoon ligt op de vijfde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɛi | trein |
| f | fiets |
| ə | de |
| n | nek |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| x | acht |
| p | pak |
| l | land |
| ʏ | put |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vijfenzestigplussers | meervoud |
| vijfenzestigplussertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vijfenzestigplussertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘iemand die boven de 65 jaar is’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1974
Woordfamilie van vijfenzestigplusser
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vijfenzestigplussers | meervoud | vijfenzestigplusser |
| vijfenzestigplussertje | verkleinwoord | vijfenzestigplusser |
| vijfenzestigplussertjes | verkleinwoord meervoud | vijfenzestigplusser |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vijfenzestigplusser zijn vastgelegd.