vertrouwd
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, werkwoordBetekenis
- op de hoogte van, bedreven in
- met wie men intiem omgaat
- wat men gewend, gewoon is
- waarop men vertrouwen kan
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vertrouwde | verbogen, stellende trap |
| vertrouwder | onverbogen, vergrotende trap |
| vertrouwdere | verbogen, vergrotende trap |
| vertrouwders | partitief, vergrotende trap |
| vertrouwds | partitief, stellende trap |
| vertrouwdst | onverbogen, overtreffende trap |
| vertrouwdste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van vertrouwen
Vervoeging van vertrouwd
vertrouwdhele werkwoord
Herkomst
*vervoeging van vertrouwen: de stam met de uitgang -d, zonder ge- vanwege voorvoegsel
Woordfamilie van vertrouwd
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vertrouwder | vergrotende trap | vertrouwd |
| vertrouwdere | verbogen vergrotende trap | vertrouwd |
| vertrouwders | partitieve vergrotende trap | vertrouwd |
| vertrouwds | partitive, positive | vertrouwd |
| vertrouwdst | uninflected, superlative | vertrouwd |
| vertrouwdste | inflected, superlative | vertrouwd |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vertrouwd zijn vastgelegd.