verspreken
werkwoordBetekenis
- zich ~: een uitspraak doen die men niet zo bedoelde te maken
Vervoeging van verspreken
versprekenhele werkwoord — versprokenvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| verspraakt u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verspraakt u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| versprak | verleden tijd |
| versprak je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| versprak me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| versprak zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| versprak zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| versprak zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verspraken je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verspraken ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verspraken zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verspreek me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verspreek u/je , verspreekt je | gebiedende wijs |
| verspreekt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verspreekt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verspreekt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verspreekt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verspreekt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verspreekt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verspreke zich | aanvoegende wijs |
| verspreken je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verspreken ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verspreken zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| versproken | verleden tijd, deelwoord |
| zal me verspreken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich verspreken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verspreken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich versprekend | onvoltooid, deelwoord |
| zich versproken hebben | verleden tijd |
| zullen je verspreken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verspreken | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich verspreken | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u verspreken | tweede persoon |
| zult u verspreken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u verspreken | tweede persoon |
| zult zich/u verspreken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
Afgeleid van spreken met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verspreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| versprak | verleden tijd | verspreken |
| verspraken | woordvorm | verspreken |
| verspreek | woordvorm | verspreken |
| verspreekt | woordvorm | verspreken |
| verspreke | woordvorm | verspreken |
| versprekend | woordvorm | verspreken |
| versprekende | woordvorm | verspreken |
| versproken | voltooid deelwoord | verspreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verspreken zijn vastgelegd.