verpozen
werkwoordBetekenis
- zich ~: uitrusten, uitblazen, ontspannen, pauzeren
Vervoeging van verpozen
verpozenhele werkwoord — verpoosdvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| verpoos me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verpoos u/je , verpoost je | gebiedende wijs |
| verpoosd | verleden tijd, deelwoord |
| verpoosde | verleden tijd |
| verpoosde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verpoosde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verpoosde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verpoosde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verpoosde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verpoosde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verpoosde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verpoosden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verpoosden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verpoosden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verpoost je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verpoost u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verpoost u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verpoost zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verpoost zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verpoost zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verpoze zich | aanvoegende wijs |
| verpozen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verpozen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verpozen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me verpozen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich verpozen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verpozen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verpoosd hebben | verleden tijd |
| zich verpozend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je verpozen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verpozen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich verpozen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u verpozen | tweede persoon |
| zult u verpozen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u verpozen | tweede persoon |
| zult zich/u verpozen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
afgeleid van pose met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verpozen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verpoos | woordvorm | verpozen |
| verpoosd | voltooid deelwoord | verpozen |
| verpoosde | verleden tijd | verpozen |
| verpoosden | woordvorm | verpozen |
| verpoost | woordvorm | verpozen |
| verpoze | woordvorm | verpozen |
| verpozend | woordvorm | verpozen |
| verpozende | woordvorm | verpozen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verpozen zijn vastgelegd.