verkneuteren
werkwoordBetekenis
- zich ~: verkneukelen
Vervoeging van verkneuteren
verkneuterenhele werkwoord — verkneuterdvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| verkneuter me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verkneuter u/je , verkneutert je | gebiedende wijs |
| verkneuterd | verleden tijd, deelwoord |
| verkneuterde | verleden tijd |
| verkneuterde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verkneuterde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verkneuterde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verkneuterde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verkneuterde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verkneuterde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verkneuterde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verkneuterden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verkneuterden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verkneuterden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verkneutere zich | aanvoegende wijs |
| verkneuteren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verkneuteren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verkneuteren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verkneutert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verkneutert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verkneutert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verkneutert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verkneutert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verkneutert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me verkneuteren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich verkneuteren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verkneuteren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verkneuterd hebben | verleden tijd |
| zich verkneuterend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je verkneuteren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verkneuteren | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich verkneuteren | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u verkneuteren | tweede persoon |
| zult u verkneuteren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u verkneuteren | tweede persoon |
| zult zich/u verkneuteren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
afgeleid van kneuteren met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verkneuteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verkneuter | woordvorm | verkneuteren |
| verkneuterd | voltooid deelwoord | verkneuteren |
| verkneuterde | verleden tijd | verkneuteren |
| verkneuterden | woordvorm | verkneuteren |
| verkneutere | woordvorm | verkneuteren |
| verkneuterend | woordvorm | verkneuteren |
| verkneuterende | woordvorm | verkneuteren |
| verkneutert | woordvorm | verkneuteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verkneuteren zijn vastgelegd.