verhovaardigen
werkwoordBetekenis
- zich verhovaardigen: trots zijn
Vervoeging van verhovaardigen
verhovaardigenhele werkwoord — verhovaardigdvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| verhovaardig me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verhovaardig u/je , verhovaardigt je | gebiedende wijs |
| verhovaardigd | verleden tijd, deelwoord |
| verhovaardigde | verleden tijd |
| verhovaardigde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verhovaardigde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verhovaardigde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verhovaardigde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verhovaardigde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verhovaardigde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verhovaardigde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verhovaardigden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verhovaardigden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verhovaardigden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verhovaardige zich | aanvoegende wijs |
| verhovaardigen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verhovaardigen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verhovaardigen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verhovaardigt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verhovaardigt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verhovaardigt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verhovaardigt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verhovaardigt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verhovaardigt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me verhovaardigen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich verhovaardigen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verhovaardigen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verhovaardigd hebben | verleden tijd |
| zich verhovaardigend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je verhovaardigen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verhovaardigen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich verhovaardigen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u verhovaardigen | tweede persoon |
| zult u verhovaardigen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u verhovaardigen | tweede persoon |
| zult zich/u verhovaardigen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
afgeleid van hovaardig met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verhovaardigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verhovaardig | woordvorm | verhovaardigen |
| verhovaardigd | voltooid deelwoord | verhovaardigen |
| verhovaardigde | verleden tijd | verhovaardigen |
| verhovaardigden | woordvorm | verhovaardigen |
| verhovaardige | woordvorm | verhovaardigen |
| verhovaardigend | woordvorm | verhovaardigen |
| verhovaardigende | woordvorm | verhovaardigen |
| verhovaardigt | woordvorm | verhovaardigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verhovaardigen zijn vastgelegd.