veem
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een veemgericht, een vaak geheime rechtbank van vrije burgers voor strafzaken
- een groep eedgenoten of vennoten
- vennootschap of gebouw voor het opslaan van goederen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| veempje | verkleinwoord, enkelvoud |
| veempjes | verkleinwoord, meervoud |
| vemen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘vennootschap voor het opslaan van goederen’ voor het eerst aangetroffen in 1501
Woordfamilie van veem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| veempje | verkleinwoord | veem |
| veempjes | verkleinwoord meervoud | veem |
| vemen | meervoud | veem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van veem zijn vastgelegd.