veehouder
zelfstandig naamwoordBetekenis
- boer die leeft van veeteelt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| veehouders | meervoud |
| veehoudertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| veehoudertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘boer die leeft van veeteelt’ voor het eerst aangetroffen in 1769
Woordfamilie van veehouder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| veehouders | meervoud | veehouder |
| veehoudertje | verkleinwoord | veehouder |
| veehoudertjes | verkleinwoord meervoud | veehouder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van veehouder zijn vastgelegd.