vastgoedfraudezaak
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een geval van vastgoedfraude
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vastgoedfraudezaakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vastgoedfraudezaakjes | verkleinwoord, meervoud |
| vastgoedfraudezaken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van vastgoed en fraudezaak
Woordfamilie van vastgoedfraudezaak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vastgoedfraudezaakje | verkleinwoord | vastgoedfraudezaak |
| vastgoedfraudezaakjes | verkleinwoord meervoud | vastgoedfraudezaak |
| vastgoedfraudezaken | meervoud | vastgoedfraudezaak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastgoedfraudezaak zijn vastgelegd.