vastentijd
zelfstandig naamwoordBetekenis
- tijd waarin gevast wordt
- christelijke veertigdagentijd, periode van veertig dagen tussen Aswoensdag en Pasen waarin gevast wordt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vastentijden | meervoud |
Herkomst
samenstelling van vasten en tijd
Woordfamilie van vastentijd
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vastentijden | meervoud | vastentijd |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastentijd zijn vastgelegd.