vaccin
zelfstandig naamwoord vɑkˈsɛ̃Betekenis
- uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
Hoe spreek je vaccin uit?
/vɑkˈsɛ/
Vaccin bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vaccins | meervoud |
Herkomst
van Frans vaccin, in de betekenis van ‘entstof’ aangetroffen vanaf 1805
Woordfamilie van vaccin
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vaccins | meervoud | vaccin |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vaccin zijn vastgelegd.