vaars
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- koe die nog niet gekalfd heeft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vaarsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vaarsjes | verkleinwoord, meervoud |
| vaarzen | meervoud |
Woordvorm
- partitief van de stellende trap van vaar
Herkomst
In de betekenis van ‘tweejarig vrouwelijk rund’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van vaars
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vaarsje | verkleinwoord | vaars |
| vaarsjes | verkleinwoord meervoud | vaars |
| vaarzen | meervoud | vaars |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vaars zijn vastgelegd.