tweevoud
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ˈtwevɑutBetekenis
- een veelvoud van twee
- een grammaticale vorm die weergeeft dat er twee zelfstandigheden bedoeld worden
- tweevoudig
Hoe spreek je tweevoud uit?
/ˈtwevɑut/
Tweevoud bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| w | quiz |
| e | veel |
| v | vis |
| ɑu | koud |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tweevouden | meervoud |
| tweevoudje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tweevoudjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘twee maal zo grote hoeveelheid’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van tweevoud
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tweevoude | woordvorm | tweevoud |
| tweevouden | meervoud | tweevoud |
| tweevoudje | verkleinwoord | tweevoud |
| tweevoudjes | verkleinwoord meervoud | tweevoud |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tweevoud zijn vastgelegd.