turbo
zelfstandig naamwoord ˈtʏrboBetekenis
- apparaat dat ervoor zorgt dat lucht en brandstof onder druk een motor in komt, waardoor het vermogen opgevoerd wordt, turbocompressor, turbolader
- auto met een turbomotor
- toevoeging die de kracht of snelheid versterkt (vaak als eerste deel in samenstellingen)
- apparaat dat ervoor zorgt dat lucht en brandstof onder druk een motor in komt, waardoor het vermogen opgevoerd wordt
Hoe spreek je turbo uit?
/ˈtʏrbo/
Turbo bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ʏ | put |
| r | rood |
| b | bak |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- toevoeging die de kracht of snelheid versterkt figuratively
- beleggingsvorm waarbij geleend geld wordt gebruikt om een hoger rendement te bereiken, met een hoger risico op het volledig verlies van het ingelegde geld figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| turbo's | meervoud |
| turbootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| turbootjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Engels turbo, in de betekenis van ‘krachtversterker’ voor het eerst aangetroffen in 1907
Woordfamilie van turbo
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| turbo's | meervoud | turbo |
| turbootje | verkleinwoord | turbo |
| turbootjes | verkleinwoord meervoud | turbo |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van turbo zijn vastgelegd.