triade
zelfstandig naamwoordBetekenis
- drie personen of zaken die bij elkaar horen
- drie goden of goddelijke personen
- drie elementen van het periodiek systeem die bij elkaar horen
- een driehoeksrelatie
- een Chinese criminele organisatie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| triaden | meervoud |
| triades | meervoud |
| triadetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| triadetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘groep van drie’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van triade
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| triades | meervoud | triade |
| triadetje | verkleinwoord | triade |
| triadetjes | verkleinwoord meervoud | triade |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van triade zijn vastgelegd.