treeplank
zelfstandig naamwoordBetekenis
- houten of metalen plank aan de zijkant van een auto, bus, tram of trein die passagiers gebruiken bij het in- en uitstappen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| treeplanken | meervoud |
| treeplankje | verkleinwoord, enkelvoud |
| treeplankjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van tree zn en plank zn
Woordfamilie van treeplank
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| treeplanken | meervoud | treeplank |
| treeplankje | verkleinwoord | treeplank |
| treeplankjes | verkleinwoord meervoud | treeplank |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van treeplank zijn vastgelegd.