trampoline
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een horizontaal raam met een verende mat, waarop allerlei sprongen uitgevoerd kunnen worden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trampolientje | verkleinwoord, enkelvoud |
| trampolientjes | verkleinwoord, meervoud |
| trampolines | meervoud |
| trampolinetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| trampolinetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘verend net’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1886
Woordfamilie van trampoline
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trampolientje | verkleinwoord | trampoline |
| trampolientjes | verkleinwoord meervoud | trampoline |
| trampolines | meervoud | trampoline |
| trampolinetje | verkleinwoord | trampoline |
| trampolinetjes | verkleinwoord meervoud | trampoline |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trampoline zijn vastgelegd.