thuishonk
zelfstandig naamwoord ˈtœyshɔŋkBetekenis
- (honkbal) hoekpunt van het honkbalveld waar de slagman de toegeworpen bal probeert weg te slaan en waarheen hij vervolgens probeert terug te keren na langs de drie andere hoekpunten te hebben gelopen
- vertrouwde plaats van waaruit een ruimere omgeving verkend wordt
- vaste ontmoetingsplaats van een bepaalde groep
Hoe spreek je thuishonk uit?
/ˈtœyshɔŋk/
Thuishonk bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| œy | huis |
| s | sok |
| h | hoed |
| ɔ | bot |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- hoekpunt van het honkbalveld waar de slagman de toegeworpen bal probeert weg te slaan en waarheen hij vervolgens probeert terug te keren na langs de drie andere hoekpunten te hebben gelopen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| thuishonken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van thuis zn en honk zn
Woordfamilie van thuishonk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| thuishonken | meervoud | thuishonk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van thuishonk zijn vastgelegd.