tamboerijn
zelfstandig naamwoordBetekenis
- eenvoudig slaginstrument bestaande uit een hoepel die met een vel bespannen is en waaraan enkele belletjes bevestigd zijn
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tamboerijnen | meervoud |
| tamboerijntje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tamboerijntjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘slaginstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1550
Woordfamilie van tamboerijn
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tamboerijnen | meervoud | tamboerijn |
| tamboerijntje | verkleinwoord | tamboerijn |
| tamboerijntjes | verkleinwoord meervoud | tamboerijn |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tamboerijn zijn vastgelegd.