taboe
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord taˈbuBetekenis
- een binnen de heersende cultuur algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
- ongepast om te gebruiken, te doen of over te spreken
Hoe spreek je taboe uit?
/taˈbu/
Taboe bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| a | maan |
| b | bak |
| u | boek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| taboes | meervoud |
| taboetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| taboetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘verboden, verbod’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van taboe
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| taboes | meervoud | taboe |
| taboetje | verkleinwoord | taboe |
| taboetjes | verkleinwoord meervoud | taboe |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van taboe zijn vastgelegd.