taalklas
zelfstandig naamwoord ˈtalklɑsBetekenis
- leerlingen die als groep (beter) leren spreken, luisteren, lezen en schrijven in een bepaalde taal. Meestal wordt hierbij de Nederlandse taal bedoelt, tenzij uit de context iets anders valt af te leiden.
Hoe spreek je taalklas uit?
/ˈtalklɑs/
Taalklas bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| a | maan |
| l | land |
| k | kat |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- leerlingen die als groep (beter) leren spreken, luisteren, lezen en schrijven in een bepaalde taal Meestal wordt hierbij de Nederlandse taal bedoelt, tenzij uit de context iets anders valt af te leiden.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| taalklasje | verkleinwoord, enkelvoud |
| taalklasjes | verkleinwoord, meervoud |
| taalklassen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van taal zn en klas zn , aangetroffen vanaf 1913 (zie vindplaats hieronder)
Woordfamilie van taalklas
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| taalklasje | verkleinwoord | taalklas |
| taalklasjes | verkleinwoord meervoud | taalklas |
| taalklassen | meervoud | taalklas |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van taalklas zijn vastgelegd.