taalgemeenschap
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een grote samenlevende groep die dezelfde taal gebruikt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| taalgemeenschapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| taalgemeenschapjes | verkleinwoord, meervoud |
| taalgemeenschappen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van taal en gemeenschap
Woordfamilie van taalgemeenschap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| taalgemeenschapje | verkleinwoord | taalgemeenschap |
| taalgemeenschapjes | verkleinwoord meervoud | taalgemeenschap |
| taalgemeenschappen | meervoud | taalgemeenschap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van taalgemeenschap zijn vastgelegd.