suite
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een woning voornamelijk bestaande uit een voor- en achterkamer gescheiden door schuifdeuren
- een uitgebreide hotelkamer, vaak bestaande uit meer dan een vertrek
- een muziekstuk bestaande uit een opeenvolging van een aantal dansen
- een groep gesteenten die chemisch, mineralogisch of anderszins bij elkaar horen, maar geen duidelijke gelaagdheid of andere structuur vertonen waarop ze in eenheden in te delen zijn
- een reeks van drie of meer opeenvolgende kaarten
- gevolg, stoet
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| suites | meervoud |
| suitetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| suitetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ineenlopende kamers’ voor het eerst aangetroffen in 1859
Woordfamilie van suite
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| suites | meervoud | suite |
| suitetje | verkleinwoord | suite |
| suitetjes | verkleinwoord meervoud | suite |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van suite zijn vastgelegd.