struma
zelfstandig naamwoordBetekenis
- ziekelijke opzwelling van de schildklier. krop
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| struma's | meervoud |
| strumaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| strumaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kropgezwel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1661
Woordfamilie van struma
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| struma's | meervoud | struma |
| strumaatje | verkleinwoord | struma |
| strumaatjes | verkleinwoord meervoud | struma |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van struma zijn vastgelegd.