strot
zelfstandig naamwoordBetekenis
- strottenhoofd, keel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| strotje | verkleinwoord, enkelvoud |
| strotjes | verkleinwoord, meervoud |
| strotten | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘voorkant van de hals’ voor het eerst aangetroffen in 1567 * erfwoord: naast gewestelijk stroot, uit Middelnederlands strōte (ook starte, sterte), uit Oergermaans *struttōn, evenals Nederduits Strott, een versmoltene stam met de mobiele s uit de eerdere grondvorm *þrūtō, genitief *þruttaz, deverbatief bij Indo-Europees *(s)trud- ‘opgezwollen, naar voren stekend’, vergelijk Welsh trythu ‘zwellen’, Latijn strūma ‘kropgezwel’, Lets trums ‘gezwel’ en Oudkerkslavisch trŭsa ‘stijf haar’.
Woordfamilie van strot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| strotje | verkleinwoord | strot |
| strotjes | verkleinwoord meervoud | strot |
| strotten | meervoud | strot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van strot zijn vastgelegd.