stroboscoop
zelfstandig naamwoordBetekenis
- apparaat waarmee van een groot aantal beelden, die de fasen van een periodieke beweging uitmaken slechts één of enkele belicht worden, waardoor het waargenomen beeld schijnbaar stilstaat
- bepaalde zeer irritante verlichting in een discotheek waardoor beweging schoksgewijze overkomt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stroboscoopje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stroboscoopjes | verkleinwoord, meervoud |
| stroboscopen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘toestel dat snel beelden toont’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van stroboscoop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stroboscoopje | verkleinwoord | stroboscoop |
| stroboscoopjes | verkleinwoord meervoud | stroboscoop |
| stroboscopen | meervoud | stroboscoop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stroboscoop zijn vastgelegd.