stins
zelfstandig naamwoordBetekenis
- versterkte Friese adellijke woning, burcht
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stinsen | meervoud |
| stinzen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Fries, in de betekenis van ‘adellijke Friese woning’ voor het eerst aangetroffen in 1738-1795
Woordfamilie van stins
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stinsen | meervoud | stins |
| stinzen | meervoud | stins |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stins zijn vastgelegd.