steeneik
zelfstandig naamwoord ˈstenɛikBetekenis
- Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie (Fagaceae) die voorkomt in Zuid-Europa en het hele jaar groen blijft
Hoe spreek je steeneik uit?
/ˈstenɛik/
Steeneik bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| e | veel |
| n | nek |
| ɛi | trein |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- Quercus ilex een boom uit de napjesdragersfamilie (Fagaceae). Deze van nature in Zuid-Europa voorkomende, groenblijvende eik wordt veel aangeplant als sierboom en ter beschutting, vooral in kuststreken. De boom is bestand tegen de zilte zeewind en de luchtvervuiling in de stad. In Nederland en Vlaanderen is de boom matig winterhard. De boom kan dertig meter hoog worden, maar blijft meestal veel kleiner. In rotsachtige gebieden blijft de eik vaak struikvormig
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| steeneiken | meervoud |
| steeneikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| steeneikjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van steen en eik . Zo genoemd vanwege zijn uitzonderlijk harde hout.
Woordfamilie van steeneik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| steeneiken | meervoud | steeneik |
| steeneikje | verkleinwoord | steeneik |
| steeneikjes | verkleinwoord meervoud | steeneik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van steeneik zijn vastgelegd.