stationcar
zelfstandig naamwoord /'steʃənkɑ:r/Betekenis
- auto met een ver naar achteren doorlopend dak en een grote achterdeur, waardoor achter in de auto meer bagageruimte is
Hoe spreek je stationcar uit?
/ˈsteʃənkɑr/
Stationcar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| e | veel |
| ʃ | sjaal |
| ə | de |
| n | nek |
| k | kat |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stationcars | meervoud |
| stationcartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stationcartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘personenauto met uitgebreide achterzijde’ voor het eerst aangetroffen in 1953 . In het Nederlands gevormd als samenstelling van de Engelse woorden station en car, wellicht ook als contaminatie van estate car en station wagon. In het Engels zelf bestaat het woord niet in deze betekenis.
Woordfamilie van stationcar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stationcars | meervoud | stationcar |
| stationcartje | verkleinwoord | stationcar |
| stationcartjes | verkleinwoord meervoud | stationcar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stationcar zijn vastgelegd.