spreeuw
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een middelgrote zangvogel uit de familie van de spreeuwachtigen (Sturnidae) en de orde zangvogels (Passeriformes)
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel uit de familie van de spreeuwachtigen (Sturnidae) en de orde zangvogels (Passeriformes)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spreeuwen | meervoud |
| spreeuwtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spreeuwtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Woordfamilie van spreeuw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spreeuwtje | verkleinwoord | spreeuw |
| spreeuwtjes | verkleinwoord meervoud | spreeuw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spreeuw zijn vastgelegd.