sportweek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- week aan het einde van het schooljaar waarin de school sporten organiseert
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sportweekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| sportweekjes | verkleinwoord, meervoud |
| sportweken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van sport en week
Woordfamilie van sportweek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sportweekje | verkleinwoord | sportweek |
| sportweekjes | verkleinwoord meervoud | sportweek |
| sportweken | meervoud | sportweek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sportweek zijn vastgelegd.