spitsboog
zelfstandig naamwoordBetekenis
- boog in een gotisch gebouw, gevormd door twee elkaar kruisende cirkelbogen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spitsbogen | meervoud |
| spitsboogje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spitsboogjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van spits en boog
Woordfamilie van spitsboog
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spitsbogen | meervoud | spitsboog |
| spitsboogje | verkleinwoord | spitsboog |
| spitsboogjes | verkleinwoord meervoud | spitsboog |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spitsboog zijn vastgelegd.