spint
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- het lichte en zachte hout dat in de stam direct onder de schors zit
- spinsel van de spintmijt
- spintmijt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spinten | meervoud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Tetranychus een infectie van mijten op planten. Spint tast de bladeren aan en treedt vooral op onder warme, droge omstandigheden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spinten | meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spinnen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spinnen
- gebiedende wijs meervoud van spinnen
Vervoeging van spint
spinthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘buitenste jaarringen van bomen’ voor het eerst aangetroffen in 1445
Woordfamilie van spint
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spinten | meervoud | spint |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spint zijn vastgelegd.