speelweek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- week dat men speelt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| speelweekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| speelweekjes | verkleinwoord, meervoud |
| speelweken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van spelen ww en week zn
Woordfamilie van speelweek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| speelweekje | verkleinwoord | speelweek |
| speelweekjes | verkleinwoord meervoud | speelweek |
| speelweken | meervoud | speelweek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van speelweek zijn vastgelegd.