sofa
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een gestoffeerde zitbank met een rugleuning
- slapen
- bank, canapé , ligbank, rustbank, sofa, zitbank
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sofa's | meervoud |
| sofaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| sofaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bank’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1698
Woordfamilie van sofa
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sofa's | meervoud | sofa |
| sofaatje | verkleinwoord | sofa |
| sofaatjes | verkleinwoord meervoud | sofa |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sofa zijn vastgelegd.