skeeler
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- rolschaats met 4 wieltjes die achterelkaar, in-line, staan. Het wordt tegenwoordig meer gezien als een vorm van schaatsen dan van rolschaatsen.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| skeelers | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van skeeleren
- gebiedende wijs van skeeleren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van skeeleren
Vervoeging van skeeler
skeelerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘soort rolschaats’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1969
Woordfamilie van skeeler
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| skeelers | meervoud | skeeler |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van skeeler zijn vastgelegd.