singularis
zelfstandig naamwoordBetekenis
- taalkundige term voor het enkelvoud
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| singularia | meervoud |
| singularissen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘enkelvoud’ voor het eerst aangetroffen in 1584
Woordfamilie van singularis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| singularia | meervoud | singularis |
| singularissen | meervoud | singularis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van singularis zijn vastgelegd.