single
zelfstandig naamwoord ˈsɪŋ(ɡ)əlBetekenis
- iemand zonder echtgenoot of vaste partner
- (tennis, badminton) wedstrijd van één speler tegen één andere speler
- grammofoonplaat met één nummer per zijde (bij uitbreiding gebruikt voor: muziekdrager met minder dan 4 nummers)
- enkel
- alleenstaand, vrijgezel
Hoe spreek je single uit?
/ˈsɪŋgəl/
Single bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| g | goal |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand zonder echtgenoot/echtgenote of vaste partner
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (singletje) * | verkleinwoord, enkelvoud |
| (singletjes) * | verkleinwoord, meervoud |
| singles | meervoud |
zelfstandig naamwoord — neuter
- wedstrijd van één speler tegen één andere speler
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| singles | meervoud |
| singletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| singletjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Engels single **m [1]: in de betekenis van ‘vrijgezel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1989 **m [2]: in de betekenis van ‘grammofoonplaatje met één nummer per kant’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1950 **o in de betekenis van ‘enkelspel bij tennis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1919
Woordfamilie van single
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| singles | meervoud | single |
| singletjes | verkleinwoord meervoud | single |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van single zijn vastgelegd.