shunt
zelfstandig naamwoordBetekenis
- kunstmatige verbinding tussen twee kanalen of bloedvaten, meestal van een slagader naar een andere ader
- parallel geschakelde keten
- wissel 1, spoorwissel
- aftakking, zijspoor
- 1
- 2
- afslaan 5, een andere richting op gaan
- afgeleid/afgetakt worden (van verkeer, elektriciteit e.d.)
- pendelen
- afleiden
- ontlopen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| shuntje | verkleinwoord, enkelvoud |
| shuntjes | verkleinwoord, meervoud |
| shunts | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels
Woordfamilie van shunt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| shuntje | verkleinwoord | shunt |
| shuntjes | verkleinwoord meervoud | shunt |
| shunts | meervoud | shunt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van shunt zijn vastgelegd.