schurken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- zich tegen een vast voorwerp wrijven, meestal om jeuk te bestrijden
Vervoeging van schurken
schurkenhele werkwoord — geschurktvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geschurkt | verleden tijd, deelwoord |
| schurk me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| schurk u/je , schurkt je | gebiedende wijs |
| schurke zich | aanvoegende wijs |
| schurken je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schurken ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schurken zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schurkt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| schurkt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schurkt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schurkt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| schurkt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schurkt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schurkte | verleden tijd |
| schurkte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schurkte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schurkte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| schurkte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| schurkte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schurkte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| schurkte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| schurkten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| schurkten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| schurkten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| zal me schurken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich schurken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je schurken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich geschurkt hebben | verleden tijd |
| zich schurkend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je schurken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons schurken | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich schurken | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u schurken | tweede persoon |
| zult u schurken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u schurken | tweede persoon |
| zult zich/u schurken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schurk
Herkomst
In de betekenis van ‘(zich) wrijven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1623
Woordfamilie van schurken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschurkt | voltooid deelwoord | schurken |
| schurke | woordvorm | schurken |
| schurkend | woordvorm | schurken |
| schurkende | woordvorm | schurken |
| schurkt | woordvorm | schurken |
| schurkte | verleden tijd | schurken |
| schurkten | woordvorm | schurken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schurken zijn vastgelegd.