schrobzaag
zelfstandig naamwoordBetekenis
- smalle, puntig toelopende handzaag
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schrobzaagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schrobzaagjes | verkleinwoord, meervoud |
| schrobzagen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘handzaag’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1863
Woordfamilie van schrobzaag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schrobzaagje | verkleinwoord | schrobzaag |
| schrobzaagjes | verkleinwoord meervoud | schrobzaag |
| schrobzagen | meervoud | schrobzaag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schrobzaag zijn vastgelegd.