schout
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het hoofd van het dorpsbestuur van een schoutambt vanaf de hoge middeleeuwen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schouten | meervoud |
| schoutje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schoutjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘bestuursambtenaar’ voor het eerst aangetroffen in 1137
Woordfamilie van schout
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schouten | meervoud | schout |
| schoutje | verkleinwoord | schout |
| schoutjes | verkleinwoord meervoud | schout |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schout zijn vastgelegd.