schopstoel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- strafwerktuig, waarbij de misdadiger met gebonden handen op een soort van wip geplaatst werd, waardoor hij omhoog geslingerd werd,
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schopstoelen | meervoud |
| schopstoeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schopstoeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘strafwerktuig’ voor het eerst aangetroffen in 1366
Woordfamilie van schopstoel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schopstoelen | meervoud | schopstoel |
| schopstoeltje | verkleinwoord | schopstoel |
| schopstoeltjes | verkleinwoord meervoud | schopstoel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schopstoel zijn vastgelegd.