schildklier
zelfstandig naamwoord ˈsxɪltklirBetekenis
- een (endocriene) klier gelegen aan de voorzijde van de hals, voor het strottenhoofd, tegen de luchtpijp aan
Hoe spreek je schildklier uit?
/ˈsxɪltklir/
Schildklier bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɪ | pit |
| l | land |
| t | tak |
| k | kat |
| i | riet |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (schildkliertje) | verkleinwoord, enkelvoud |
| (schildkliertjes) | verkleinwoord, meervoud |
| schildklieren | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘klier die tegen het schildvormige kaakbeen ligt’ voor het eerst aangetroffen in 1865
Woordfamilie van schildklier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schildklieren | meervoud | schildklier |
| schildkliertje | woordvorm | schildklier |
| schildkliertjes | meervoud | schildklier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schildklier zijn vastgelegd.