schema
zelfstandig naamwoord ˈsxemaBetekenis
- een goed uitgewerkt plan
- een grafische weergave van de relaties tussen de onderdelen van een plan, theorie of organisatie
- schema
Hoe spreek je schema uit?
/ˈsxema/
Schema bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| e | veel |
| m | maan |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schema's | meervoud |
| schemaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schemaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| schemata | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘overzicht’ voor het eerst aangetroffen in 1648
Woordfamilie van schema
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schema's | meervoud | schema |
| schemaatje | verkleinwoord | schema |
| schemaatjes | verkleinwoord meervoud | schema |
| schemata | meervoud | schema |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schema zijn vastgelegd.