schalk
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- een deugniet, ondeugd (persoon)
- eenvoudig hijstoestel
- een zuil die tegen een wand of pijler geplaatst is en niet vrij staat in de ruimte. Ook kan een schalk omschreven worden als een pilaster die niet plat is, maar rond van vorm is
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die op een vrij onschuldige manier plagerig of ondeugend is ironic
- een zuil die tegen een wand of pijler geplaatst is en niet vrij staat in de ruimte; een pilaster die rond i.p.v. plat van vorm is
- sluw, arglistig iemand obsolete
- dienaar, knecht obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schalken | meervoud |
| schalkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schalkjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- met boze bedoelingen obsolete
- zich op een grappige manier een beetje misdragend obsolete
Herkomst
Van het Oudnederlandse skalk "knecht", verdere etymologie onzeker. In de betekenis van ‘grappenmaker’ voor het eerst aangetroffen in 1782
Woordfamilie van schalk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schalke | woordvorm | schalk |
| schalken | meervoud | schalk |
| schalkje | verkleinwoord | schalk |
| schalkjes | verkleinwoord meervoud | schalk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schalk zijn vastgelegd.