rubber
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord /ˈrɵ.bər/Betekenis
- een uit het sap van de rubberboom vervaardigd elastisch materiaal
- (verkleinwoord) een stukje materiaal uit rubber of een ander elastisch materiaal vervaardigd.
- een klasse gecrosslinkte polymere materialen boven hun glaspunt
- een condoom
- van rubber vervaardigd
- wrijver, masseur in een (Turks) badhuis
- een voorwerp om te wrijven (borstel, doek e.d.) of te polijsten (wetsteen).
- vlakgom, gummetje (oorspronkelijk van rubber, caoutchouc)
- een voowerp van rubber (rubberen laarzen, banden, e.d.)
- (VS) kapotje, condoom
Hoe spreek je rubber uit?
/ˈrɵbər/
Rubber bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɵ | put |
| b | bak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- uit het sap van de rubberboom vervaardigd elastisch materiaal
- klasse gecrosslinkte polymere materialen boven hun glaspunt
- voorwerp dat uit rubber of een ander elastisch materiaal is gemaakt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rubbers | meervoud |
| rubbertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rubbertjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- uit rubber gemaakt
Herkomst
van Engels rubber, in de betekenis van ‘caoutchouc’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1903
Woordfamilie van rubber
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rubbers | meervoud | rubber |
| rubbertje | verkleinwoord | rubber |
| rubbertjes | verkleinwoord meervoud | rubber |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rubber zijn vastgelegd.