ritus
zelfstandig naamwoordBetekenis
- geheel van ceremoniële, gewoonlijk godsdienstige gebruiken
- voorgeschreven wijze waarop een liturgische handeling verricht wordt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ritussen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘geheel van rituele gebruiken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1844
Woordfamilie van ritus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ritussen | meervoud | ritus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ritus zijn vastgelegd.